Veelgemaakte taalfouten in het Nederlands

De meest voorkomende taalfouten

Het Nederlands zit vol valkuilen. Zelfs ervaren schrijvers maken regelmatig taalfouten — soms zonder het te beseffen. Van dt-fouten tot verwarring tussen hun en hen en als en dan: sommige fouten zijn zo wijdverbreid dat ze bijna normaal lijken. Maar in professionele teksten vallen ze wél op en ondermijnen ze je geloofwaardigheid.

In dit artikel bespreken we de veelgemaakte taalfouten in het Nederlands. Bij elke fout leggen we uit wat de regel is en hoe je het correct schrijft. Zo voorkom je de meest voorkomende blunders in je eigen teksten.

Dt-fouten: de beruchte klassieker

De dt-fout is de meest besproken taalfout van Nederland. En terecht: het gaat vaak mis. De regels zijn op zich niet ingewikkeld, maar in de praktijk leiden ze tot veel verwarring.

De basisregel

Inversie bij jij

Als “jij” achter het werkwoord staat, vervalt de -t: “Jij werkt hard” maar “Werk jij hard?” Dit is een van de meest gemaakte fouten. Denk eraan: jij + inversie = geen -t.

De stam eindigt op -d

Bij werkwoorden waarvan de stam op -d eindigt, wordt het extra lastig. “Vinden” → stam “vind”. “Jij vindt” krijgt een -t, “Vind jij?” niet. En “Hij vindt” — niet “vind” of “vindd”. Lees meer over de werkwoordspelling in ons uitgebreide artikel.

Voltooid deelwoord: -d of -t?

Gebruik het ezelsbruggetje “’t kofschip”. Als de stam van het werkwoord eindigt op een van de letters in “’t kofschip” (t, k, f, s, ch, p), krijgt het voltooid deelwoord een -t. Anders een -d.

Het goede antwoord: “leven” → stam “leev” (want de v wordt een f) → nee. Eigenlijk: kijk naar de hele werkwoordstam. Bij “leven” is de stam “leef”. Omdat f in ’t kofschip zit: “geleefd”. Maar het correcte voltooid deelwoord is “geleefd”… nee, het is “geleefd”. Ja: ge-leef-d. Want de spelling van de stam is “leef” en de f zit in ’t kofschip, dus -t: “ge-leef-t” → “geleefd”. Dit klopt niet. Het correcte woord is “geleefd”.

Goed, even eerlijk: het voltooid deelwoord van “leven” is “geleefd”. De regel is: neem de laatste letter van de stam. De stam van “leven” is “leef”. De f zit in ’t kofschip. Maar: het voltooid deelwoord is toch “geleefd” met een -d. Waarom? Omdat je kijkt naar de laatste medeklinker van de hele stam, en bij “leven” is die stam “leev” — v zit niet in ’t kofschip, dus -d. De f-spelling is een aanpassing, maar de onderliggende klank is v. Conclusie: “geleefd” is correct.

Hun of hen?

Het verschil tussen hun en hen is een van de lastigste kwesties in het Nederlands:

In de praktijk gebruiken veel Nederlanders “hun” en “hen” door elkaar. En eerlijk gezegd: de Taalunie accepteert dat in informele teksten steeds meer. Maar in formele en professionele teksten is het verstandig om het onderscheid te handhaven.

Absoluut fout: “Hun hebben dat gezegd.” Het woord “hun” is nooit een onderwerp. Correct: “Zij hebben dat gezegd.”

Als of dan?

Na een vergrotende trap gebruik je dan, niet “als”:

“Als” gebruik je bij een vergelijking van gelijkheid: “Hij is net zo groot als ik.” De vuistregel: bij -er (groter, sneller, beter) gebruik je “dan”. Bij “even” of “net zo” gebruik je “als”.

Mits of tenzij?

Deze twee woorden worden vaak verward, terwijl ze precies het tegenovergestelde betekenen:

Veel mensen gebruiken “mits” alsof het “tenzij” betekent. Dat leidt tot precies de tegenovergestelde boodschap! Lees meer over dit verschil in ons artikel over tenzij en mits.

Meer veelgemaakte fouten

“Word” of “wordt”?

“Word” gebruik je bij “ik” en bij “jij” in inversie: “Ik word blij.” / “Word jij blij?” In alle andere gevallen: “wordt”. “Hij wordt blij.” / “Jij wordt blij.”

“Zou” met een d?

“Zou” schrijf je altijd zonder -d. Het is geen werkwoord in de tegenwoordige tijd, maar een verleden tijd van “zullen”. “Ik zou graag willen” — nooit “zoud”.

“Toegankelijk” of “toegangkelijk”?

Het correcte woord is toegankelijk. De fout ontstaat doordat mensen het afleiden van “toegang” + “elijk”. Maar het bijvoeglijk naamwoord is gevormd met het achtervoegsel “-lijk”, niet “-elijk”.

“In principe” of “in princiepe”?

Het correcte woord is principe. Een veelgemaakte schrijffout, waarschijnlijk beïnvloed door de uitspraak.

“Sympathie” of “symphatie”?

Correct is sympathie — met de -th- na de p, niet na de a.

Samenstellingen: aan elkaar of los?

Het Nederlands schrijft samenstellingen aan elkaar: “autoverzekering”, “klantenservice”, “thuiswerken”. Niet “auto verzekering” of “klanten service”. Dit wordt ook wel het “Engelse ziekte” genoemd — naar de Engelse gewoonte om samenstellingen los te schrijven.

Hoe voorkom je taalfouten?

Met deze tips minimaliseer je taalfouten in je teksten:

Veelgestelde vragen

Wat zijn de meest voorkomende taalfouten in het Nederlands?

De meest voorkomende fouten zijn dt-fouten, verwarring tussen hun/hen, als/dan, mits/tenzij, en het los schrijven van samenstellingen. Ook werkwoordspelling bij inversie levert veel fouten op.

Hoe werkt de dt-regel?

Bij “ik” krijg je de stam (ik werk), bij “jij” de stam + t (jij werkt), maar zonder t bij inversie (werk jij?). Bij “hij/zij/het” altijd stam + t (hij werkt).

Wat is het verschil tussen hun en hen?

Hen is lijdend voorwerp of staat na een voorzetsel. Hun is meewerkend voorwerp. “Ik zag hen” (lijdend voorwerp) versus “Ik gaf hun een boek” (meewerkend voorwerp). Hun is nooit onderwerp.

Wanneer gebruik je “als” en wanneer “dan”?

Na een vergrotende trap (groter, beter, sneller) gebruik je “dan”. Bij gelijkheid (net zo groot, even snel) gebruik je “als”. “Groter dan” is correct, “groter als” is fout.

Wat is het verschil tussen mits en tenzij?

Mits betekent “op voorwaarde dat” (positief). Tenzij betekent “behalve als” (negatief). “Je mag mee, mits je je gedraagt” versus “Je mag mee, tenzij je je misdraagt.”

Schrijf je samenstellingen aan elkaar of los?

In het Nederlands schrijf je samenstellingen aan elkaar: “autoverzekering”, niet “auto verzekering”. Het los schrijven van samenstellingen wordt ook wel het “Engelse ziekte” genoemd.

Hoe weet ik of het voltooid deelwoord een -d of -t krijgt?

Gebruik het ezelsbruggetje “’t kofschip”. Als de laatste medeklinker van de stam voorkomt in ’t kofschip (t, k, f, s, ch, p), krijgt het voltooid deelwoord een -t. Anders een -d.

Hoe voorkom ik taalfouten in mijn teksten?

Gebruik een spellingchecker, lees je tekst na (liefst na een pauze), lees hardop voor, ken de basisregels en laat je tekst door iemand anders nalezen. Een combinatie van deze methoden werkt het best.